Met een eerste vermelding in 869 (toen Marcheim), is Merkem de oudste deelgemeente van Houthulst.
Het is een kleine nederzetting langs een beek nabij het Vrijbos, dat toen veel groter was. In dit historisch dorp vind je een middeleeuwse motte (kunstmatige heuvel), ‘Hoge Mote’, een Spaans fort, het ‘Fort de Knocke’ met invloeden van Vauban, en één van de oudste eendenkooien van België.
Er zijn ook veel monumenten ter herinnering aan de Eerste Wereldoorlog. Tijdens deze oorlog ligt Merkem aan de frontlinie. Het dorp krijgt het zwaar te verduren en wordt volledig van de kaart geveegd.
Het rustige polderdorp in de IJzervallei kenmerkt zich nu vooral door de prachtige broeken en het kasteel van de adellijke familie de Coninck de Merckem.
Eendenkooi van Merkem
Bij eendenkooien wordt een vijver vertakt in een aantal zijarmen met vangpijpen en fuiknetten.
De eenden worden eerst in de vangpijpen gelokt en dan opgejaagd tot in de fuiken. Zoals een bos een jager heeft, heeft een eendenkooi een kooiman. De kooiman zorgt voor de goede exploitatie.
De eendenkooi van Merkem is een historische getuige van een erg bijzondere jachttechniek die al zeker vanaf de vroege Middeleeuwen werd toegepast. Het zou zelfs in Vlaanderen zijn ontstaan.
De eendenkooi in Merkem wordt al vermeld in 1591 maar is vermoedelijk veel ouder, tot zelfs de 12de eeuw!
De kooi is onafgebroken toegewezen aan de heren van het kasteel van Merkem. De grote eendenkooi beklemtoont de adellijke status van de Heren van Merkem, waaronder de familie de Merode en de Coninck de Merkem. De kooi zorgde ervoor dat men voldoende vers en smaakvol vlees kon serveren. De eendenbouten, -borsten en -pastei dienden niet enkel voor eigen consumptie maar ook om te verhandelen onder andere in Roeselare.
Bijzonder is dat de kooi van Merkem de enige bekende kooivrouw in Vlaanderen kent. Rosalie Dekeirel volgde haar echtgenoot, Amandus Decap, op. Zij werd opgevolgd door René Decap, één van de laatste kooimannen in Merkem. De allerlaatste kooiman van Merkem is Gerard van Peperstraete, met wie het gebruik van de eendenkooi eindigt.
De huidige gemeente Merkem is na het ancien régime ontstaan uit drie afzonderlijke entiteiten. De eerste entiteit was de heerlijkheid Merkem, een gebied van 242 gemeten dat als appendente heerlijkheid samen met Klerken, Esen en Woumen ressorteerde onder het Woumen-Ambacht binnen de kasselrij van het Brugse Vrije. Deze heerlijkheid had haar zetel op het domein van het huidige kasteel de Coninck de Merckem te Merkem en was sedert 1100 eigendom van verschillende adellijke families, waaronder de geslachten Grammene (tot 1351), Moerkerke (tot 1419), Villain (tot 1460), Halewijn (tot 1609) en de Mérode (1764). In 1764 kocht ridder Jean Jacques van Outryve de heerlijkheid voor de som van 47.000 florijnen. Vermits zijn enige dochter in 1797 met ridder Patrice de Coninck huwde, werd de heerlijkheid met bijhorend kasteel na zijn dood (1815) eigendom van het geslacht de Coninck. De tweede entiteit was de "De Splete", dat zich grosso modo ten noordwesten van het kasteeldomein uitstrekte tot aan de weg Diksmuide-Ieper (N369; Iepersteenweg). Deze entiteit viel wel onder de rechtspraak van de Heerlijkheid Merkem, maar werd geleid door een 'Hooftman'. De huidige straatnaam Pletstraat, vroeger Spletestraat zou hier nog naar verwijzen.
De laatste entiteit was de heerlijkheid de Corvere, die zich min of meer ten zuidoosten van de weg Diksmuide-Ieper (N369) uitstrekte over de voormalige boskant van Merkem en Jonkershove over een oppervlakte van 368 gemeten. In tegenstelling tot de heerlijkheid van Merkem, behoorde deze heerlijkheid tot de Kasselrij Ieper. Door huwelijk kwam de heerlijkheid de Corvere in het bezit van het geslacht Halewijn, waarna de geschiedenis van de heerlijkheid de Corvere en de heerlijkheid te Merkem samenloopt. De naam Corverbeek herinnert nog aan deze voormalige heerlijkheid.
Romeinse periode
Tijdens werkzaamheden aan de vijvers in het kasteelpark door ridder de Coninck worden in 1785 een grote hoeveelheid medailles uit de Romeinse tijd teruggevonden. De oudste klimt terug tot de periode van Lucius Verus (tweede helft van de 2de eeuw ), terwijl de andere hoofdzakelijk uit de tijd van Alexander Severus (eerste helft 3de eeuw) stammen. Mogelijk bevond zich op de site van het kasteel een Romeinse villa, een militair kamp en een heiligdom. De archeologische vindplaats is alleszins in de buurt gelegen van de huidige Steenstraat. Deze straat gelegen ten noorden van Merkem tussen de gemeentes Woumen (Diksmuide) en Klerken (Houthulst) was oorspronkelijk een onderdeel van het Romeinse diverticulum of de zijbaan ten noorden van de grote verbindingsweg tussen Boulogne-sur-Mer en Keulen. Deze secundaire weg liep van Steenvoorde (Noord-Frankrijk) in noordoostelijke richting verder over Poperinge, Woumen/ Houthulst, Esen, Werken en Aartrijke tot in Brugge. Hij werd in het begin van onze tijdrekening aangelegd om de ontsluiting van het kustgebied te bevorderen.
Vroege middeleeuwen
In de vroege middeleeuwen werd het volledige grondgebied van Merkem ingepalmd door het "Vrijbos". Dit immense bos van circa 6000 ha. strekte zich uit over het volledige grondgebied van de fusiegemeente Houthulst en gedeelten van de gemeenten Woumen (Diksmuide), Zarren (Kortemark), Staden (Staden), Westrozebeke (Staden), Passendale (Zonnebeke), Langemark (Langemark-Poelkapelle) en Bikschote (Langemark-Poelkapelle). Hiermee was het "Vrijbos" het meest noordelijke boscomplex van de bossengordel rond de stad Ieper die de overgang markeerde tussen de bossen van Zillebeke en Heuvelland in Zuid-West-Vlaanderen en de bossen van Torhout en Brugge in het noordelijke gedeelte van de provincie.
Negende eeuw
868: sommige auteurs situeren de eerste voorloper van de huidige parochiekerk Sint-Bavo reeds in 868. Anderen plaatsen het ontstaan van de kerk pas rond 1050 of 1100. Wat er ook van zij, rond 1050 krijgt de Sint-Bavokerk van het bidsom Terwaan een altaar toegewezen.
869: Merkem wordt voor het eerst in de bronnen als "Marcheim" vermeld. Het betreft een nederzetting die tussen een kreek en het "Vrijbos" gelegen is.
Twaalfde eeuw
Begin 12de eeuw sticht Jan van Waasten (1099-1130), bisschop van Terwaan, te Merkem een vrouwenklooster naar de regel van de heilige Benedictus. Sanderus daarentegen schrijft in zijn Flandria Illustrata (1643) de stichting toe aan Clementia van Bourgondië, gravin van Vlaanderen (circa 1133 overleden). Dit klooster was oorspronkelijk wellicht een kleine cella afhankelijk van de abdij van Mesen (Heuvelland), vermits het klooster in 1147 is opgenomen in een goederenlijst van deze abdij. In 1176 of ten laatste 1185 wordt het klooster evenwel onafhankelijk en afgescheiden van de abdij van Mesen. De huidige straatnamen Kloosterstraat en Kloostermolenstraat verwijzen thans nog naar de vroegere inplanting van dit middeleeuwse kloostercomplex (zie Kloosterstraat).
1107: de parochie Merkem wordt eigendom van de abdij van Sint-Bertinus te Sint-Omaars (Noord-Frankrijk). Voordien behoorde de parochie toe aan de Sint-Vaastabdij te Atrecht (Noord-Frankrijk).
Circa 1130: een lokale heer laat bij de parochiekerk een castrale motte of een kasteel op een aarden ophoging optrekken. Circa 1130 wordt deze motte door de kroniekschrijver Walter van Terwaan als volgt omschreven: "Bij de kerk stond een hoge versterking, die naar de mode van de tijd was gebouwd. Immers, in die streek is het de gewoonte van de rijkste en adellijkste mannen om een ophoging van aarde te maken en dit zo hoog als ze maar kunnen en er een zo diep mogelijke gracht rond te graven. Ze omringden de ophoging met een palissade van planken die op een zeer solide manier zijn samengevoegd. Zo maken ze een omheining die zo veel mogelijk met torens wordt geflankeerd. Binnen deze omheining bouwen ze een versterkt gebouw, dat het geheel beheerst. Men kan er dan alleen binnen langs een brug, die vertrekt van de overzijde van de gracht en tot aan de top van de ophoging reikt, en op die hoogte de toegang in de palissade bereikt". De bouw van dergelijke mottes kent in Vlaanderen een hoogtepunt op eind 11de/ begin de 12de eeuw tot eind 12de/ begin 13de eeuw.
Dertiende eeuw
1222: het Benedictinessenklooster krijgt naast Sint-Pieter ook Onze-Lieve-Vrouw als patroonheilige.
1251-circa 1265: op initiatief van Margaretha van Constantinopel, gravin van Vlaanderen en Henegouwen, en de stad Ieper wordt de natuurlijke waterloop Ieperlee(t) gekanaliseerd als een vitale transportverbinding tussen de lakenstad en de zee. Dit kanaal groeit later uit tot het huidige Ieperleekanaal.
Veertiende eeuw
1381: het kasteel op de castrale motte behoort toe aan het geslacht Van Moerkerke. Enkele jaren na een brand in 1381 wordt het kasteel heropgebouwd.
Zestiende eeuw
1559: bij de herverdeling van de bisdommen wordt Merkem bij het nieuwe bisdom Ieper gevoegd.
1566: tijdens de godsdiensttroebelen wordt het Benedictinessenklooster samen met de Sint-Bavokerk en het kasteel door de Geuzen vernield. De zusters trekken zich terug in hun refuge te Ieper, waar ze zich definitief zullen vestigen. Het verwoeste kasteel wordt heropgebouwd door het geslacht Van Outryve.
1561-1571: op de Grote Kaart van het Brugse Vrije van de hand van Pieter Pourbus is het grondgebied "Merckem" slechts ten dele weergegeven vermits enkel de heerlijkheid Merkem tot het Brugse Vrije behoorde. Op het laatste kwart van de 16de eeuw wordt de dorpskern gedomineerd door de kerk en de omwalde kasteelsite met een zeer geringe bebouwing in de onmiddellijke omgeving. Een tweede kleine bewoningsconcentratie bevindt zich ter hoogte van "de Drie Grachten". Voorts zeer verspreide bebouwing langs de huidige Iepersteenweg. Opvallend evenwel is dat het middeleeuwse Benedictinessenklooster - dat eigenlijk tot de kasselrij Ieper behoorde - summier is weergegeven als "Clooster van Merckem" met onder meer een kerkvolume.
1585: op aandringen van bisschop Rythovius worden de kloosterdomeinen van het Benedictinessenklooster verdeeld onder de parochiekerk en de Jezuïetenorde die zopas te Ieper een college had opricht.
1584-1591: Spaanse troepen leggen ten westen van de IJzer en de Ieperlee een verdedigingslinie aan om het achterliggende poldergebied te vrijwaren van de plundertochten uitgevoerd door de hervormingsgezinden vanuit Oostende. Als onderdeel van deze verdedigingslinie wordt ten noorden van de samenvloeiing van de IJzer en de Ieperlee een klein vierkant sperfort opgericht, de voorloper van het latere "Fort de Knocke".
1590: hervormingsgezinden uit Oostende steken de kloostergebouwen in brand. De Jezuïeten bouwen bij de ruïnes een hoeve, het "Jezuïetengoed", waar ze onder meer onderricht verschaffen.
20 januari 1596: Syderoen de Ho(o)sche (later verlatijnst als Sidronius Hosschius) wordt als zoon van Syderoen de Ho(o)sche en Jo(o)ssyne Caeyaert in de Groenestraat geboren. Na zijn humaniorastudies aan het Jezuïetencollege in Ieper en zijn studies filosofie te Douai treedt hij op twintigjarige leeftijd binnen in de orde van de Jezuïeten te Mechelen. Vier jaar later, in 1620, verhuist hij naar het college van 's Hertogenbosch waar hij les gaat geven. In 1623 start hij vervolgens met de studie van theologie aan de Leuvense universiteit. Na het voltooien van zijn studies, wordt hij in 1628 in 's Hertogenbosch aangesteld als studieprefect Omwille van de strijd tussen de Noordelijke Provinciën en de Zuidelijke Nederlanden dient hij echter 's Hertogenbosch te verlaten en keert hij terug naar het Jezuïetencollege te Gent. In 1634 begint hij zijn dichterscarrière waarmee hij snel internationale faam verwerft. Hij maakt hoofdzakelijk elegieën (lange en zware verzen) waarin hij de natuur, God en het antieke Rome verheerlijkt. In 1647 wordt hij door Leopold-Wilhelm, landvoogd der Zuidelijke Nederlanden aangesteld als hofmeester. Op 4 september 1653 overlijdt hij als overste van het Jezuïetencollege te Tongeren.
Zeventiende eeuw
1604: na de verovering van Oostende door de Spaanse landvoogd Alexander Farnese verliest de verdedigingslinie ter hoogte van de IJzer en de Ieperlee haar belang. Het sperfort "de Knocke" blijft evenwel samen met nog drie andere forten behouden (zie Ieperleedijkstraat zonder nummer).
Tweede helft 17de eeuw: onder de Spaanse-Franse oorlogen wint het "Fort de Knocke" opnieuw aan strategisch belang.
1668: met de Vrede van Aken wordt de kasselrij Veurne-Ambacht bij Frankrijk gevoegd. Om het nieuw geannexeerde gebied te vrijwaren laat Lodewijk XIV de noordgrens van zijn rijk versterken door Vauban met de aanleg van een dubbele verdedigingslinie, de zogenaamd 'pré-carré'. Omwille van het uitzonderlijk strategisch belang wordt het "Fort de Knocke" naar ontwerp van Vauban verder uitgebouwd.
Achttiende eeuw
1713: met de Vrede van Utrecht maakt de kasselrij Veurne-Ambacht opnieuw deel uit van de Oostenrijkse Nederlanden. Het "Fort de Knocke" wordt samen met de steden Veurne en Ieper opgenomen in de "Bareelversterking" tegen het Franse koninkrijk. Na het midden van de 18de eeuw verliezen deze versterkingen echter geleidelijk aan hun betekenis.
1764: ridder Jean Jacques van Outryve koopt de heerlijkheid Merkem voor de som van 47.000 florijnen. Vermits zijn enige dochter in 1797 huwt met ridder Patrice de Coninck wordt de heerlijkheid met het bijhorende kasteel na zijn dood (1815) eigendom van het geslacht de Coninck. Het geslacht levert de opeenvolgende burgemeesters van Merkem.
1770-1778: op het einde van de 18de eeuw, zie de Ferrariskaart, kent "Merckhem" een grote bewoningsconcentratie aan de oostzijde van de huidige Westbroekstraat, terwijl de linkerzijde is ingenomen door een kasteel met formeel aangelegd kasteelpark en de parochiekerk.. Het huidige stratenpatroon van de dorpskom en het landelijke gebied gaat in grote lijnen terug op het toenmalige stratenpatroon, hoewel het uiterste oosten van het grondgebied nog grotendeels is ingenomen door het "B(oi)s de Milaene", een onderdeel van het toenmalige "Houthulst Bosch". Het ontgonnen landelijke gebied wordt vnl. gekenmerkt door verspreide bebouwing van eerder kleine hoeves.
1773: bij de opheffing van de Jezuïetenorde wordt het "Jezuïetengoed" te Merkem eigendom van de bisschop van Ieper. Deze verkoopt de hoeve aan Jean Jacques van Outryve, heer van Merkem. Wanneer zijn dochter in 1797 huwt met ridder Patrice de Coninck (1770 - 1827) komt het kasteel en de het "Jezuïetengoed" in het bezit van het geslacht de Coninck. In de loop van de 18de eeuw wordt het kasteel grotendeels herbouwd volgens de toen heersende Franse stijl met mansardedak. Het kasteel behoudt zijn 18de-eeuwse uitzicht min of meer tot aan de Eerste Wereldoorlog.
Negentiende eeuw
Door een herverdeling van de bisdommen ressorteert Merkem vanaf 1801 onder het bisdom Gent en vanaf 1834 onder het bisdom Brugge.
1828: de provinciale steenweg Diksmuide-Ieper (huidige N369; zie Iepersteenweg) wordt aangelegd.
1833: op initiatief van pastoor Benoit wordt voor de kinderen van de 'buskanters' op de wijk Aschhoop de "Bosschool" - een gemengde school - opgericht. In 1879 wordt het schooltje op initiatief van de familie Maes uitgebreid en krijgt het de naam "Sint-Pietersschool". Na de Eerste Wereldoorlog wordt de school heropgebouwd, maar in 1976 opgeheven en vervolgens verbouwd (zie Kloostermolenstraat).
1837: eveneens op initiatief van pastoor Benoit en Catherina Casier wordt in de Kouterstraat een klooster voor de Zusters van de Heilige Vicentius à Paulo opgericht. De oorspronkelijke vestiging in een grote woning langs de Kouterstraat kent in de loop van de 19de eeuw geleidelijk aan uitbreiding tot een volwaardig kloostercomplex ter hoogte van het huidige rusthuis "vzw Merkem Seniorenzorg". Tijdens de Eerste Wereldoorlog wordt het complex echter volledig vernield en vanaf 1922 iets meer naar het zuiden als een eenheidscomplex samen met een schoolvleugel (lagere school) heropgebouwd naar ontwerp van architect Alphonse De Pauw (Brugge). Het klooster van Merkem heeft verschillende bijhuizen te Reningelst (1856), te Sint-Michiels (Brugge) (1880) en te Gijverinkhove (1893) en Reningelst (1908).
1844: voor de kerk plaatsing van een arduinen pomp met bronzen borstbeeld van Sidronius Hosschius naar ontwerp van de beeldhouwer Pieter De Vigne (Gent) en met het opschrift "Aan Sidronius Hosschius, Latynschen Dichter, gebooren te Merkem MDXCVI, De Gemeente MDCCCXXXXIV". De basis van deze pomp die tijdens de Eerste Wereldoorlog werd vernield, is de "Steen van Merkem" die zich thans op de site van de IJzertoren te Kaaskerke (Diksmuide) bevindt. In hetzelfde jaar wordt op de gevel van zijn geboortehuis een marmeren gedenkplaat ingemetseld.
1841: de Kouterstraat wordt gekasseid. In de daaropvolgende decennia worden de aardewegen tussen het dorpscentrum en de verschillende gehuchten systematisch voorzien van een kassei bestrating: onder meer Westbroekstraat (1867), Drie Grachtensteenweg (1877), Merkemstraat (1898-1900) en Stationsstraat (1900).
1862: bouw van een gemeentelijke jongensschool in de Westbroekstraat.
1877: rechttrekken en kasseien van de Drie Grachtensteenweg richting Noordschote en de bouw van een brug over de Ieperlee.
1879: in de nasleep van de schoolstrijd krijgt Merkem een vrije, katholieke jongensschool. Deze wordt op aansturen van burgemeester baron Charles de Coninck in 1882 opgeheven ten gunste van de gemeentelijke jongensschool. In 1879 wordt het schooltje op het gehucht Aschhoop eveneens met een aantal klassen uitgebreid.
Twintigste eeuw
1900: bouw van een jongensschool met directeurswoning in de Kouterstraat naar ontwerp van de bouwmeester Vinck (Veurne). Anno 1900 telt Merkem 3563 inwoners. Voor de Eerste Wereldoorlog telt Merkem nog zeven molens. Het zijn de "Cayennemolen" aan de Martjevaart, de "Beukelaremolen" aan de Rodesteenstraat, de "Plaetsemolen" aan de Kouterstraat (afgebroken in 1911), de "Schransmolen" en de "Stenen molen" beide langs de Iepersteenweg en de "Sint-Jansmolen" langs de Groenestraat.
25 september 1906: opening van de lijn nr. 107 van de Buurtspoorwegen Diksmuide-Woumen-Merkem-Bikschote-Zuidschote-Elverdinge-Ieper en Merkem-Noordschote-Reninge-Oostvleteren-Westvleteren-Krombeke-Poperinge. De vergunning voor de aanleg en uitbating van deze lijn werd bij K.B. van 25 maart 1901 verleend, waarop de nodige infrastructuurwerken in september 1903 een aanvang namen. Hierbij werd de Stationsstraat doorgetrokken tot aan de Kouterstraat.
1911: de "Plaetsemolen": aan de Kouterstraat (hoek huidige Duivenstraat) wordt afgebroken.
Eerste Wereldoorlog
Aangezien Merkem in het frontgebied gelegen is, heeft de Eerste Wereldoorlog en de samenhangende vernietiging een belangrijke impact op het dorp. Niet enkel de Sint-Bavokerk, maar het volledige dorp wordt vernield
3 augustus 1914: België weigert Duitsland een vrije doorgang naar Frankrijk. De dag daarna valt Duitsland België binnen.
2 september 1914: de eerste vluchtelingen komen te Merkem aan. De vluchtelingenstroom, vnl. uit de streek van Mechelen, zou meer dan een maand duren.
13 september 1914: 200 Duitse verkenners te paard (Uhlanen) arriveren te Merkem. Ze trekken verder naar Noordschote (Lo-Reninge), Reninge (Lo-Reninge), Oostvleteren (Vleteren) en Proven (Poperinge).
7 oktober 1914: opnieuw doen Duitse verkenners Merkem aan om van hieruit verder te trekken naar Ieper en Poperinge.
10 oktober 1914: uit vrees dat de oprukkende Duitse troepen de brug over het Ieperleekanaal aan het gehucht "Drie Grachten" zouden innemen bouwen de Belgische genietroepen hier een verdedigingsstelling uit (zie Drie Grachtensteenweg).
15 oktober 1914: het Belgische leger neemt zijn voorzorgen en laat de "Drie Grachtenbrug", "de Knokkebrug", alsook de "Cayennemolen" opblazen. Loopgraven worden in allerijl aangelegd met medewerking van de burgers.
16 oktober 1914: Duitse troepen bezetten reeds Houthulst en Klerken. De bevolking van Merkem slaat op de vlucht.
21 oktober 1914: Merkem wordt gebombardeerd en het gehucht "Luigem" wordt ingenomen door Duitse troepen. Een drietal dagen later volgt ook het gehucht "Langewade" langs de Iepersteenweg in het uiterste zuiden van Merkem.
Eind oktober 1914: Duitse troepen installeren een observatiepost in het park van de kasteelsite de Coninck de Merckem. Van hieruit hebben ze een goed overzicht op de stellingen van de "Drie Grachten" en de voorposten van het Belgische leger te Noordschote.
November 1914: samen met de inundatie van de IJzervlakte komt ook het gebied ten noordwesten van Merkem (ten noorden begrensd door de Blankaartvijver en ten zuiden door de Ieperlee), en de vallei van de Martjevaart (westelijke grens Merkem) onder water te staan. Hierdoor blijft enkel de hoger gelegen steenweg Noordschote-Luigem nog begaanbaar en worden er aan beide kanten ter hoogte van deze weg stellingen uitgebouwd. Franse troepen nemen stelling ter hoogte van het gehucht de "Drie Grachten" (zie Drie Grachtensteenweg zonder nummer), terwijl de Duitsers het gehucht "Luigem" uitbouwen.
Nacht van 9 op 10 november 1914: Franse troepen, waaronder talrijke Zoeaven ondernemen een mislukte aanval op de Duitse stelling "Luigem" met zware verliezen als gevolg.
Nacht van 11 op 12 november: een Duitse tegenaanval op de Franse voorpost de "Drie Grachten" mislukt eveneens.
29 maart 1915: Duitse troepen ondernemen met meer succes een tweede offensief op de voorpost de "Drie Grachten" die sedert begin 1915 door Belgische troepen van de Fransen was overgenomen. Op 8 april wordt de "Drie Grachten" ingenomen en als Duitse voorpost ingericht. De voorpost bestaat uit een circa 100 tot 150 m lange verdedigingsstelling langs het kanaal van zware betonnen bunkers met elkaar verbonden door manshoge loopgraven.
1915-1917: de Duitse stellingen de "Drie Grachten", "Luigem" en "Merkem" worden ten noorden beschermd door het overstromingsgebied van de Blankaartvijver (Woumen; Diksmuide) en ten zuiden door dat van de Ieperlee en Martjevaart waardoor Merkem een eerder rustige Duitse sector was. Langs de Iepersteenweg wordt ondertussen de eerste Duitse Linie, de "Brabantlinie" uitgebouwd. Van hieruit vertrekt met het oog op de aan- en afvoer van materiaal een netwerk van spoorwegen naar het "Bos van Houthulst" (ten oosten van Merkem) dat omwille van zijn hoogteligging op een uitloper van de 'rug van Westrozebeke' uitgebouwd is als een strategisch knooppunt van verdedigingswerken met loopgraven en prikkeldraadversperringen (zie historische inleiding Houthulst).
Juli 1917: Merkem dat tot op heden relatief goed bewaard bleef, wordt door de Franse artillerie onder vuur genomen waarbij het dorp tot een echt kraterlandschap herschapen wordt.
Augustus 1917 tijdens de Derde Slag om Ieper (31 juli - 26 oktober 1917) veroveren Belgische troepen de Duitse voorpost "Drie Grachten".
26 oktober 1917: een deel van Merkem wordt door Franse mariniers ontzet op de Duitsers en het 2de Bataljon Karabiniers neemt de stelling "Luigem" op 27 oktober in. Het offensief strandt echter ter hoogte van de lijn Blankaert - de Kippe - Aschhoop en de rand van het "Vrijbos". Hiermee wordt Merkem in twee delen opgesplitst: het zuidwestelijke deel met de dorpskern is nu in handen van de geallieerden, terwijl het noordoostelijk deel nog bezet gebied is.
7 december 1917: de Franse mariniers dragen de veroverde sector over aan de Belgen die onmiddellijk tussen de Blankaartvijver en de Corverbeek een voorste linie uitbouwen met loopgraven, bunkers en prikkeldraadhindernissen. In de loop van 1917 schrijven Vlaamse soldaten die opkomen voor de toepassing van de taalwetten in het leger op de basis van de blauwe hardstenen dorpspomp met het borstbeeld van Sidronius Hosschius in rode verf "hier ons bloed, wanneer ons recht" als vorm van protest. De basis van deze pomp die de geschiedenis in zal gaan als de "steen van Merkem" wordt in 1933 overgebracht naar de crypte van de IJzertoren te Kaaskerke (Diksmuide).
Winter 1917-1918: Duitse troepen proberen herhaaldelijk om Merkem te heroveren. Om hun slaagkansen te vergroten gebruiken ze hierbij ondermeer zenuwgas.
9 april 1918: in een laatste poging om de strategische kanaalhavens (Duinkerke en Calais (Noord-Frankrijk)) te veroveren start het Duitse leger zijn "Lente-offensief". Nadat een eerste poging richting Amiens (21 maart - 4 april 1918) mislukt, ondernemen de Duitsers vanaf 9 april een tweede poging ter hoogte van de Ieperboog met de bedoeling de stad Ieper in een ‘tang’ te nemen.
16 april 1918: als inleiding op de "Slag van Merkem" bestoken Duitse troepen de Belgische linies met Minenwerferbommen en duizenden gasgranaten.
17 april 1918: "Slag van Merkem". In een poging om Merkem te veroveren en zo door te kunnen stoten naar Ieper en Poperinge ondernemen de Duitsers een offensief op de Belgische linies te Merkem. De stellingen aan de gehuchten de "Kippe" en "Aschhoop" vallen relatief snel in Duitse handen, maar het offensief wordt ter hoogte van het gehucht "Langewade" een halt toegeroepen door een tegenaanval van de geallieerde troepen onder leiding van generaal Jacques. In de "Slag van Merkem" sneuvelen iets meer dan vierhonderd soldaten en vallen vele gewonden.
28 september 1918: het eindoffensief wordt om half drie 's morgens ingezet. Hierbij is de herovering van het "Bos van Houthulst" als Duits strategisch bolwerk een belangrijke doelstelling. Onder leiding van Generaal-Majoor Van Acker wordt het "Bos van Houthulst" nog diezelfde dag door de 7de Infanteriedivisie (bestaande uit het 4de, het 23ste en het 24ste Linieregiment) niet zonder aanzienlijke verliezen ontzet.
Van de wederopbouw tot heden
1919: om de wederopbouw van het verwoeste dorp in goede banen te leiden, laat Merkem zich -conform aan de wet van 8 april 1919 - op 11 juli 'adopteren'. In een eerste fase worden een aantal voorlopige barakken gebouwd vooral ter hoogte van het 9e-Linieplein. Op 25 augustus wordt vervolgens Théo Raison (Veurne) aangesteld als superviserend architect die samen met architect A. De Smedt (Brugge) de aanleg- en rooilijnplannen tekent. Binnen het jaar is de tramlijn Diksmuide-Merkem-Oostvleteren terug operationeel voor de aanvoer van bouwmaterialen. Vanuit de Dienst der Verwoeste Gewesten worden budgetten ter beschikking gesteld om het wegennet, de infrastructuur, woningen, handelspanden, kerken, enz. herop te bouwen.
1920: naast een aantal hoeves, staat architect Théo Raison ook in voor de heropbouw van de belangrijkste gebouwen uit het dorp waaronder het gemeentehuis en de pastorie. In hetzelfde jaar wordt ook gestart met de heropbouw van de Sint-Bavokerk naar ontwerp van architect A. Janssens (Gent). Andere architecten betrokken bij de heropbouw van huizen en hoeves te Merkem zijn C. Cauwe (Brugge), J. De Bruycker (Roeselare), Antoine Dugardijn (Brugge), L. Hocepied (Moeskroen), L. Janssens (Menen), E. Jaspar (Ukkel), J. Marstboom (Menen), V. Renders (Brussel), C. Schmidt (Poperinge), F. Schoup (Diksmuide), H. Vanden Berghe (Oostrozebeke), Camille Van Elslande (Veurne) en L. Van Haverbeke (Brugge). Geleidelijk aan keren ook de bewoners van Merkem terug. Waren er eind 1919 al 450 inwoners teruggekeerd, eind 1920 zijn dit er al 1300 en in 1923 zo'n 2274. Een 1200-tal inwoners keert na de oorlog echter niet meer terug naar hun dorp.
1922: start met de wederopbouw van een kloostercomplex van de Zusters van de Heilige Vincentius à Paulo naar ontwerp van architect Alphonse De Pauw (Brugge).
1923: start met de wederopbouw van het kasteel de Coninck de Merckem naar ontwerp van Jules Coomans (Ieper) door aannemer Jules Soete (Ieper).
12 september 1921: de gemeenteraad keurt de inrichting van de Duitse begraafplaatsen "Château Maes" en "Draaibank" goed, maar verzoekt de ontruiming van de kerkhoven "Kloostermolen", "de Kippe", "Merkem" en "Langewade" omdat deze gelegen zijn in de onmiddellijke omgeving van bebouwing of grote verkeersaders.
24 oktober 1921: gemeenteraadsbeslissing om openbare verlichting te plaatsen op de dorpsplaats en de gehuchten " 't Hoekje", "de Kippe" en "Luigem".
1937: bij het uitvoeren van een boring voor een steenput in de Kouterstraat nr. 5 stoot men op een slagtand van een mammoet.
1939: de Sint-Bavokerk wordt bij K.B. van 20/02/1939 beschermd als monument.
1961: inhuldiging van het brandweerarsenaal in de Kouterstraat.
1974: de "Beukelaremolen" wordt bij K.B. van 23/04/1974 beschermd als monument.
1995: het "Fort de Knocke" word bij M.B. van 13/03/1995 beschermd als monument.
Bron: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
